Vrijwilligers en supervisie nieuwsbrief LSR zomer 2002
Supervisie aan vrijwillige rouwbegeleiders
Omdat kwaliteitsverbetering ook in de vrijwillige rouwbegeleiding zo belangrijk is, heeft de LSR vorig jaar drie parttime supervisoren in dienst genomen. Zij bieden vrijwilligers praktische en mentaal ondersteuning. Rouwbegeleiding vergt immers veel van de mens en je hart kunnen luchten bij een supervisor blijkt te worden ervaren als een 'cadeautje'. Vrijwilligster Henny van Hardeveld-Panjer en supervisor Jacqueline Tondu vertellen over hun ervaringen.
De vrijwilliger: 'Je verhaal kwijt kunnen bij een 'vakzuster', dat voelt als verlichting'
De vrijwilliger: 'Supervisie houdt je een spiegel voor waardoor je uit oude patronen kunt stappen'
De supervisor: 'Het geheim van supervisie is dat het je leert te ontdekken wat je eigen kracht is'
Henny van Hardeveld-Panjer (64) begeleidt sinds 1982 als vrijwilligster groepen rouwenden: 'Ik ben bij toeval in de rouwbegeleiding terecht gekomen. Het was 1982 en hier In de buurt werd een gespreksgroep opgericht. Als Diaken in de Hervormde Kerk had ik sterven van dichtbij meegemaakt en ook veel eenzaamheid gezien. Daar wilde ik me graag voor inzetten. Waar die drang vandaan komt? Ik denk dat er iets in je moet zitten om je aangetrokken te voelen tot mensen in rouw. Ik heb dat blijkbaar. Als ik geconfronteerd wordt met eenzame mensen die niet meer weten waar de weg loopt en zich in zichzelf terugtrekken, wil ik hen helpen de opstap weer te vinden. Omzien naar elkaar vind ik belangrijk, dat is mijn drijfveer.
Als ik terugkijk op de beginperiode van die gespreksgroep twintig jaar geleden, denk ik wel eens: hoe kregen we het voor elkaar? Ik wist weinig tot niets over rouwen, was niet geschoold, deed het puur op mijn gevoel. Ik heb twaalf jaar samen met een collega die gespreksgroepen gedraaid. Heel serieus waren we en heel bevlogen. Ongeschoold en onervaren als we waren, hebben we wel vrij snel structuur aangebracht. We organiseerden themabijeenkomsten, legden contact met de kerken, gingen zelf op bezoek bij mensen in rouw om ze uit te nodigen voor bijeenkomsten.
Inmiddels is de situatie erg veranderd. Twintig jaar ervaring, twintig jaar ouder ook, ben ik gepokt en gemazeld door het werk. Ik heb veel cursussen gevolgd en bijscholingen gedaan. Wat wel altijd hetzelfde is gebleven, is dat ik dit zie als mijn werk. Ik ben dan wel vrijwilliger, maar het is in feite gewoon mijn baan.
In 1996 overleed de collega met wie ik zo lang had samengewerkt. Dat was een dieptepunt in het vrijwilligerswerk. Toen stond ik er ineens alleen voor. Mijn eigen man en de man van de overleden collega hebben me aangespoord door te gaan. En dat heb ik gedaan. Het netwerk van medewerkers en assistenten is steeds groter geworden. De groepen draaien goed. In het begin richten we ons vooral op achtergebleven partners, nu is er ook veel aandacht voor rouwende kinderen, pubers en jong-volwassenen. Ook zijn gesprekken geweest met ouders van een overleden kind.
Wat ik moeilijk aan dit werk vind, is dat het zwaar kan zijn. Er komt veel verdriet en pijn op je af. Dat blijft lastig, ook al kan ik werk en privé goed scheiden en ook al biedt sport me bijvoorbeeld veel afleiding. Ik realiseer me terdege dat het niet de bedoeling is dat ik het verdriet van al die mensen op mijn schouders neem: ik bied een helpende hand. Dit besef was er natuurlijk niet vanaf dag één, ik heb dat in de loop der jaren moeten leren en ik geloof dat ik daar wel een goede balans in heb gevonden.
Toch besefte ik pas hóe zwaar het werk desondanks is toen ik startte met supervisie. Het was zo fijn om mijn verhaal kwijt te kunnen. Het is onvoorstelbaar prettig om een collega en 'vakzuster' te treffen aan wie je problemen kunt voorleggen en met wie je samen een weg kan zoeken zodat je verder kunt. Er viel echt een last van me af waarvan ik me al die jaren niet bewust was geweest. En niet overal is een oplossing voor te vinden, maar het feit dat ik zorgen kan delen, voelt als een verlichting.
Supervisiegesprekken zijn verhelderend en bieden een eye-opener. Je kunt jaren en jaren je werk doen volgens bepaalde patronen en dan ineens door een ander tot het inzicht komen: hé, maar dit kan ook anders! Eén van de dingen die ik bijvoorbeeld heb voorgelegd in de gesprekken is het feit dat ik me zo verantwoordelijk kan voelen. Té verantwoordelijk. Ik ben 64 jaar en ik hoop dit werk nog een poosje te doen, maar wie neemt het straks van me over? De reactie van mijn supervisor was heel praktisch: maak een folder over wat jullie allemaal doen en bel de krant om meer naamsbekendheid te krijgen. Dat heb ik allebei gedaan: de folder is er en vanmiddag komt de krant voor een interview.
Die supervisie, dat is een cadeautje. Een inspirerend cadeau dat me nieuwe gezichtspunten biedt. Dat is voor mezelf goed en ook voor de mensen met wie ik werk. Wat ik leer door de supervisie, geef ik weer door aan de medewerkers. Zo ontstaat een soort intervisie. Dat komt de manier van werken ten goede en stimuleert het verantwoordelijkheidsgevoel. En dat allemaal samen, verhoogt weer de kwaliteit van de rouwbegeleiding. Daar ben ik best trots op.'
Jacqueline Tondu (54) is een van de drie supervisoren die sinds een jaar part-time in dienst zijn bij de LSR. Jacqueline Tondu: Ik ben in mijn eigen leven geconfronteerd met diepe rouw. Ik ben in die periode heel goed begeleid. Dat heeft me gevormd en me zo betrokken gemaakt op het onderwerp dat ik alles wat ik geleerd had door wilde geven. Door móest geven. Ik werkte al als drama-docent, communicatie-trainer en creatief therapeut. Toen ben ik zelf een praktijk begonnen voor mensen met een traumatisch verlies die zijn vastgelopen in een rouwproces.
Daarnaast geef ik nu workshops, trainingen en supervisie aan vrijwilligers. Ik houd van die combinatie: cliënten helpen en vrijwilligers ondersteunen.
Werken aan kwaliteit vind ik bijzonder belangrijk en ik denk dat supervisie daar zeer aan bijdraagt. Dat ik ervaringsdeskundige ben, ervaar ik als een groot pluspunt. Maar ik begeleid rouwenden en vrijwilligers niet alleen vanuit die optiek, ook mijn deskundigheid speelt een belangrijke rol.
Ik herken veel in de verhalen van de vrijwilligers die ik supervisie geef. Vaak doen ze dit werk vanuit een eigen verlieservaring, want laten we wel zijn: er zijn maar weinig mensen die bewust kiezen voor dit beroep. Die persoonlijke geschiedenis maakt het werk complex. Je eigen verlies is belangrijk, maar mag geen rol spelen in de begeleiding van rouwenden. Te betrokken raken kan niet en dat is een grote valkuil.
In de cursus Nabijblijven leren vrijwilligers hoe ze daar mee kunnen omgaan. Waar de grenzen tussen afstand en betrokkenheid liggen. Maar dat in de praktijk brengen is niet zo makkelijk. Dat is vaak het dilemma van de vrijwillige rouwbegeleider. De eigen geschiedenis is hun kracht, maar tegelijkertijd ook hun zwakte en kwetsbaarheid.
Supervisie kan in dat ingewikkelde proces veel steun bieden. Het leert je anders te kijken naar jezelf. Waar liggen mijn mogelijkheden en waar liggen mijn grenzen? In feite wordt je een spiegel voorgehouden met als doel inzicht te krijgen in het persoonlijk functioneren: hoe doe ik dat nou? En: kan ik het misschien anders en daardoor beter aanpakken?
We geven twee vormen van begeleiding: een heel praktische op het werk gerichte werkbegeleiding en de meer 'mentale' supervisie die gericht is op de eigen houding. De 'supervisant' bepaalt zelf aan welk deel aandacht geschonken wordt. In de werkbegeleiding kunnen vragen aan de orde komen als: hoe werf ik (nieuwe) deelnemers, hoe lang laat ik een gesprek en huisbezoeken duren, hoe kom ik aan thema's voor de rouwgroep en hoe werk ik daar mee? Supervisie is de spiegel waar ik zojuist al over sprak. Wat kom ik tegen, wat vind ik moeilijk, wat zijn mijn kwaliteiten en valkuilen, hoe ga ik om met mijn eigen grenzen en emoties? Supervisie is leren reflecteren en het geleerde vervolgens in praktijk brengen. Beginnende rouwbegeleiders hebben vaak meer vragen op werkgebied, de meer ervaren mensen hebben eerder behoefte aan aandacht voor en reflectie op hun persoonlijk functioneren.
Wat we merken aan onze supervisanten, is dat ze enthousiast zijn. Ze voelen zich begrepen en gestimuleerd en ze ontwikkelen zich in hun begeleidersschap. Daarnaast bevestigt supervisie je ook in wat je doet. Het is eigen aan mensen om onzeker te zijn. Die gesprekken doen je beseffen dat hoe je het ook doet, je het altijd doet op jouw manier. Er bestaat niet zoiets als een 'standaard rouwbegeleider'. Ik denk dat het geheim van supervisie is dat het je leert te ontdekken wat je eigen kracht is. En zo formuleren vrijwilligers het ook letterlijk in hun verslagen van gesprekken.
Toch merken we dat er bij vrijwilligers een drempel is voor supervisie. Er wordt nog maar weinig gebruik gemaakt van dit mooie gratis aanbod. Mensen voelen zich misschien op de vingers gekeken of vinden dat ze geen supervisie nodig hebben. Jammer is dat. Het gaat er namelijk niet om of je het goed of slecht doet. Als je met mensen werkt, is het gewoon belangrijk jezelf vragen te blijven stellen en je verhaal kwijt te kunnen. Het is niet niks wat je allemaal te horen krijgt!. Zelf heb ik ook supervisie en ik kan niet anders zeggen dan dat het heerlijk is. Anderhalf uur aandacht krijgen van een onbevooroordeelde buitenstaander die uit het vak komt, belangeloos luistert, aandacht en feed-back geeft. Het houdt je scherp en is een grote stimulans. En voor velen een geschenk uit de hemel. Vrijwilligers die supervisie krijgen, ervaren dezelfde dankbaarheid die rouwenden hen vaak tonen.'
Tekst: Marleen Janssen